Getuigenissen

Getuigenissen
Leerlingen van De Bladwijzer

Luc Beck – directeur van De Bladwijzer

De Bladwijzer wil een kleine school zijn, maximaal 200 kinderen, met veel openheid en ook heel laagdrempelig – waar er een goed contact is tussen leerkrachten en leerlingen, maar ook met de ouders. Door het kleinschalig te houden, kunnen we dit wel bereiken, dan wordt het een school waar iedereen iedereen kent. Op die manier kunnen we heel kort op de bal spelen en ingaan op problemen of vragen die er zijn. Ik ben nu negen jaar directeur van de school. We zijn fier dat we toch met vallen en opstaan een nieuwe school gerealiseerd hebben. Dat we een van de weinigen zijn die een duidelijke visie gekozen hebben: ontwikkelingsgericht, waarbij we van de motivatie van de kinderen en leerkrachten en ouders vertrekken. We zijn een school die toekomstgericht is en duidelijkheid wil scheppen naar mensen en kinderen die bij ons naar school komen. We hebben een hele boel dingen opgezet in al die jaren. Eigenlijk werken we vraag gestuurd, we luisteren vrij goed naar problematieken die er zijn. Ik denk dan aan ouders die Nederlands willen leren, niet kunnen zwemmen… dat soort dingen. We zoeken naar oplossingen en kijken of we die initiatieven in of buiten de school kunnen organiseren. Iets dat we binnen de school verankerd hebben is de naschoolse opvang, waarbij we een heel goede samenwerking zijn aangegaan met de Dienst Onthaalgezinnen en waar we zien, door de jaren heen, dat het succes heeft en blijft groeien. We hebben besloten om mee te werken aan het LEON-project, maar het was een beetje dubbel. Wanneer ik van het LEON-project hoorde, had ik zoiets van: “Goh, dit zijn dingen die we al lang doen.” We zouden de ideeën die we hadden en hebben met mekaar kunnen delen. Zo biedt het naar twee partijen de mogelijkheid om te zeggen; Hoe kunnen we mekaar verrijken en verder ontwikkelen? In die zin leek het mij wel een leuke gedachte om een samenwerking op te zetten. Het werd als iets nieuws gelanceerd, maar eigenlijk zijn dit dingen waar we al mee een stukske op weg zijn, waar we kunnen kijken: Wat zijn de valkuilen die we al tegengekomen zijn en wat zijn nieuwe mogelijkheden die ons aangebracht kunnen worden om de ideeën waarmee we bezig zijn te kunnen versterken. De hoogtepunt van de samenwerking tot nu was de avond rond ouderparticipatie, om met de ouders én de buurt én de leerkrachten én het bestuur gemeenschappelijk bezig te zijn. Het was leuk om te zien hoeveel mensen we toch rond de tafel kregen om samen na te denken. Waar ik natuurlijk op hoop is om deze beweging verder te zetten en te versterken. Ik zou na het afloop van de samenwerking dat participatieproject willen verderzetten – leerkrachten, ouders, bestuur – dat we een aantal van die ideeën uitgewerkt hebben, of op rails gekregen hebben zodat het een werkzaam product wordt. Ik hoop dat het idee eruit groeit om het jaarlijks te herhalen en te zeggen: “Ja, kijk naar die dingen die we afgerond hebben en wat zijn de nieuwe dingen die we samen gaan aanpakken? Dit zou een mooie doelstelling zijn. Binnen 5 jaar zou ik De Bladwijzer als een volwaardige school die haar maximumcapaciteit bereikt heeft en opnieuw een positieve waarde is in de wijk zien. Een school waar iedereen van de wijk naar toe durft komen. Een school die bewoners uit de wijk ertoe aanzet om mee te participeren aan het geheel, dat we voor ogen hebben. Dat er niet zo de afstand blijft die veel mensen hebben van, Goh, dit is een allochtone school waar we geen meerwaarde in zien. We merken nu al dat we zeer competente kinderen en ouders kunnen afleveren die mee willen bouwen aan een mooie wijk.

IMG_1240

Karima, mama in de Boomgaard

De Boomgaard is een leuke school waarin ik me erg betrokken voel: door in de ouderraad te zitten (dit is het tweede jaar) en door zoveel mogelijk naar de moedergroepen te komen. Ik vind het erg belangrijk om ’s morgens bij het brengen en s’ middags bij het halen de klas te kunnen zien en de leerkracht te kunnen spreken. Ik moet er niet aan denken om mijn kind aan de schoolpoort te moeten afzetten en dan te moet doorgaan.

Al vanaf de start nam ik deel aan de moedergroepen. We zijn toen een paar keer bijeen gekomen rond de vraag ‘ waar willen jullie rond werken?’. Daarna ben ik verdergegaan in het groepje “Verteltassen” waar ik in het begin elke keer naar toekwam. Maar nu ik werk is dat minder vaak mogelijk, jammer genoeg. Ik was ook erg voorstander van het open koffiemomentje elke week. Helaas lukt het nu bijna nooit meer om te komen maar als ik kom is het leuk en ik hoop ook dat het blijft bestaan. Met de fietsherstelcursus heb ik ook meegedaan.

Een school zou een tweede thuis zou moeten kunnen zijn voor kinderen en gezinnen. Want zelfs als je maar één kind hebt, dan kom je hier toch bijna tien jaar. Het is een belangrijke tijd waarin kinderen erg gevormd worden. Het is belangrijk dat ze leren maar zeker ook dat ze zich goed voelen. Belangrijk is dat een kind graag naar school gaat.

Ik vond de moedergroepen van in het begin erg leuk. De ervaringen delen met ouders ; ervaring in opvoeding: over conflicten, over de school, over eten. Een idee hebben en dan merken dat er interesse is. Helaas valt het dan soms wel tegen als het echt van start gaat. Ik hoop dat we volgend jaar verder doen. Op de eerste bijeenkomst waren we met wel met twintig. Ook leuk is dat je iets meer contact hebt met leerkrachten. Want dan krijg je meer respect voor hen. Ouders hebben te snel negatieve opmerkingen naar de school of naar leerkrachten toe. Bijvoorbeeld als een kind zijn boterhammen niet opeet dan denken die dat het aan de juf ligt of aan school. Door als ouder meer op school te zijn heb je meer begrip voor leerkrachten. Maar dat geldt ook omgekeerd hè!

Wat ik heel leuk vond waren de tuintjes van vorig jaar. Dat was een hele leuke middag. Er waren veel ouders, van veel verschillende afkomst. Ook de kinderen werden er bij betrokken. Dat vond ik super. Ze mochten bijvoorbeeld helpen water geven. Er werd heel gemoedelijk met elkaar omgegaan. Dan was er een papa met aarde aan het sjouwen en een moeder die vertelde waar de plantjes moesten komen. Er waren ouders die zelf met plantjes kwamen. Het was heel fijn en heel gezellig.

Ik doe dit voor mezelf en voor mijn kind. Want ik merk wel dat hij erg trots is en het geweldig vindt als ik hier ben. Hij hoeft niet bij mij te zijn. Maar als mama of papa op school is, heeft dat iets extra. Dat zie ik bij andere kinderen ook. Dus in die zin heeft het wel iets veranderd. Want ik merk dat het tevredenheid brengt bij mijn kind.

Ik vind dat er zeker een verschil is tussen de oudergroepen en de ouderraad. Verschil met de ouderraad? Een ouderraad is aanvullend aan de school en alles wat die doet moet ten goede zijn van de school. Bij de ouderraad zitten vaak toch ouders die beiden werken en die alleen ‘s avonds kunnen. Ik was de eerste van niet Belgische afkomst en dat was ook de voornaamste reden waarom ik er bij ben gegaan. Mijn overtuiging is dat als je wil dat er iets verandert, je ook zelf iets moet doen. Veranderen gebeurt niet in één of twee jaar. Dat heeft veel tijd nodig. De moedergroepen zijn toegankelijker. Je bent minder gebonden aan afspraken of tijd of taal. Dus daar krijg je meer mensen die eigenlijk wel willen maar die naar een ouderraad niet durven komen omdat ze bijvoorbeeld de taal niet voldoende spreken of geen oppas kunnen vinden. Ook het tijdstip past beter voor sommigen. Je hoeft niet zo op je woorden te letten. Het gaat ook meer om samen ervaringen op te doen en niet zozeer om een specifiek doel.

De ouderraad en de oudergroepen zijn anders maar beiden even belangrijk. Een oudergroep zou ook een opstap kunnen zijn naar de ouderraad voor sommige ouders.

Ik heb gemerkt dat er in het begin niet veel animo was in de ouderraad voor de oudergroepen. Sommigen stelden het doel en de meerwaarde voor de school in vraag. Men vraagt zich af waarom men bijvoorbeeld cursussen voor ouders zou organiseren in een school. Mijn mening is nochtans dat als je jezelf beter voelt en je je ook in de school goed voelt, dit ook positief is voor je kind.

Aan andere scholen zou ik zeker ook wat tips willen meegeven. Wij zijn bijvoorbeeld met teveel wensen begonnen. We wilden zoveel dingen plannen in één jaar tijd dat de teleurstelling groot was toen niet alles lukte. De verteltassen zijn bijvoorbeeld niet op tijd af geraakt omdat we met teveel tegelijk bezig waren.

Ik zou andere scholen ook willen aanraden om alles zo concreet mogelijk te maken, zonder veel verwachtingen. Een gezamenlijk koffiemoment is bijvoorbeeld een goed begin. Daar hoeft niemand wat. Want mensen die nooit gewerkt hebben en die de taal niet goed kunnen, die denken soms dat ze niets kunnen. Maar als je gewoon zegt “kom af en neem iets lekkers mee” dan voelt dat goed. Dat is iets wat mensen kunnen waarmaken en dan weten ze dat ze iets hebben bijgedragen. Je geeft koffie en thee en kijkt vandaaruit weer verder waar iemand goed in is.

Elke school zou dit meer moeten doen. Bij andere ouders is er al zo’n afstand tussen gezin en school, maar bij ons (allochtonen) is dat nog meer. Ik denk dat er minder problemen zouden zijn als er meer contact is, en wederzijds respect. Maar ook als men elkaar beter begrijpt. Daar begint het al mee. Vroeger, als kind, mocht ik alleen naar school, maar niet mee ’s avonds of met de klasuitjes. Ouders weten niet waarom het zo belangrijk is voor de school dat kinderen meegaan. En de school had er geen begrip voor want die dacht van ‘goh, die Marokkanen weer, die mogen niet, het zal wel weer te duur zijn. Vooroordelen van beide kanten dus. Dus als er een probleem is met een kind gaat een ouder niet zo snel naar school, maar omgekeerd ook niet. Dat is wel veranderd. Ik praat nu over 25 jaar geleden.

Er zijn nog steeds nieuwkomers voor wie dat zo is. Die denken van ‘ als mijn kind het niet goed doet op school’ dan is het de schuld van de school of ze doen er niks mee. Terwijl er mensen op school mee bezig zijn en waarmee je kan praten. Maar beide kanten moeten gewoon meer van elkaar weten en er voor open staan. En zo’n oudergroep zorgt voor meer contact en meer vertrouwen, dus dan zal je al makkelijker eens gaan praten op school.

kristien

Kristien Silkens – zorgleerkracht en brugfiguur tussen ouders en school in de Boomgaard

We hebben veel activiteiten georganiseerd in onze school waarvan er sommigen nog steeds doorgaan: verteltassen naaien en samenstellen, groentetuintjes aanleggen, huiswerkbegeleiding, ouderbabbels, knutselen. Om ouders te bereiken hebben we heel veel inspanningen gelever. Schriftelijke communicatie werkt niet voldoende, dus spreken we ze aan bij de schoolpoort. Ook schakelen we andere ouders in om nieuwe mensen mee te krijgen. We hebben ook huisbezoeken afgelegd bij de ouders die het moeilijkst bereikbaar zijn maar dit heeft niet geholpen. De ouderbabbels zijn steeds populairder. Elke dinsdagochtend is iedereen welkom voor een koffie en een babbel in ons ouderlokaal. Er komen steeds meer ouders en we zien de verbondenheid groeien. Ze trekken elkaar mee en doen hun verhaal. Ook de huiswerkbegeleiding loopt goed. Elke donderdag komt een vaste groep ouders de kindjes helpen. In het begin verliep het wat chaotisch maar het gaat steeds beter. Er is ook elke maand één coachingssessie waarbij de ouders zichzelf en de werking evalueren. Wij geven hen hierbij ook tips. Het is een grote meerwaarde voor de school. De leerkrachten merken immers het effect van de huiswerkbegeleiding. De toetsen zijn beter en er is ook meer contact met de ouders. En wat ook knap is, is de evolutie die ik merk. Ouders durven veel meer hun ideeën te uiten. Er is ook één moeder van de oudergroep doorgestroomd naar het oudercomité. Er zijn wel wat uitdagingen. Om te beginnen het kostenplaatje. We willen verderzetten maar er zijn veel kosten. Voor de verteltassen bijvoorbeeld kon het project het materiaal en de lessen financieren. Het zou goed zijn als de ouders elkaar les konden geven en ze zelf stof meenemen. Zo zullen we het waarschijnlijk doen maar dat vergt wel wat organisatie. Daarnaast verandert de samenstelling van een oudergroep voortdurend. Veel mensen die er in het begin bij waren hebben werk gevonden waardoor ze overdag niet meer kunnen deelnemen. Eenmaal als een bepaalde activiteit afgelopen was, is die groep ook niet meer samengekomen. Het systematisch samenkomen is nog een werkpunt. In het begin was het moeilijk omdat we geen eigen lokaal hadden. Sinds dit schooljaar hebben we een eigen lokaal (een voormalig klaslokaal) dat we helemaal voor ons is. De ouderbabbels gaan hier ook door, de verteltassen lenen we van hier uit. Deze fysieke plaats heb je echt wel nodig als je makkelijk bereikbaar wil zijn voor de ouders. Dat zou ik andere scholen dan ook zeker willen aanraden. Voor de toekomst heb ik nog twee doelen. Ten eerste willen we ook meer leerkrachten in het lokaal aantrekken. Het zou fijn zijn als ze hun koffie hier ook af en toe komen drinken als de ouders hier zijn. Voorlopig vinden leerkrachten nog niet direct de weg naar dit lokaal. Ze zijn nog te weinig betrokken. Leerkrachten zijn het niet zo gewoon om op een andere manier met ouders om te gaan dan oudercontact. En volgend schooljaar zou ik ook iets minder ad-hoc willen plannen maar bijvoorbeeld al in het begin van het schooljaar willen peilen naar de interesses van ouders en dan een planning voor het hele schooljaar maken. Uiteraard kunnen dan nog steeds spontane initiatieven groeien maar het is toch goed voor de ouders om toch al iets op voorhand te weten. Bijvoorbeeld als er een cursus is dat ze dit al kunnen inplannen.

ayse1

Ayse – tewerkstellingsmedewerker van Stebo

Ik heb een tewerkstellingsgroep begeleid in de Savioschool in Houthalen en in de Boomgaard in Hasselt. Voor ons was het uniek om samen te werken met een school. Ik merkte ook dat potentiële werkgevers positief stonden ten opzichte van het concept. Er is zelfs een werkgever sollicitatiegesprekken komen afnemen op de school. Als ik enkele tips mag geven aan anderen die zoiets willen organiseren: Je moet echt een vertrouwensband opbouwen met de ouders door bijvoorbeeld heel laagdrempelig te werken en voor hen open te staan. Het is best om altijd te vertrekken vanuit hun persoon, talenten en belevenissen, niet vanuit een probleem. Ouders moeten het gevoel krijgen dat ze iets betekenen en inspraak hebben. Door echt in de school iets te organiseren creëer je veel gemakkelijker een vertrouwensband doordat ze er iedere dag komen.

boomgaard-7360

Samira, mama in De Boomgaard , Hasselt

Ik ben betrokken bij verschillende oudergroepen: “verteltassen”, “huiswerkbegeleiding” en “tewerkstelling”. Verteltassen samenstellen was erg fijn. Niet alleen het maken op zich maar ook het doel van de tassen geeft me wel voldoening. We zoeken boeken die de kinderen dan mee naar huis kunnen nemen in de verteltassen. Zo kunnen de mama’s en de papa’s ’s avonds thuis samen met de kinderen de boeken lezen. We zorgen ook dat er anderstalige boeken inzitten en dat is wel leuk voor de ouders. In de oudergroep bepalen we samen welke boeken in de verteltassen zitten. Ik vind het erg fijn om zo intens samen te werken met deze mensen. Zo leer je ook verschillende opinies kennen.

Huiswerkbegeleiding is ook fijn omdat ik zo kinderen kan helpen. Het is er wel druk. Het is een goed initiatief maar we staan nog maar aan het begin. Ik denk dat we, stap voor stap, nog meer kunnen. Wij zijn geen leerkrachten en we weten niet hoe we die kinderen moeten aanpakken. Wijzelf moeten ook leren. Bijvoorbeeld, we kunnen geen twee kinderen te samen op één bank zetten. Dat gaat gewoon niet. Bovendien zien die kinderen ons niet als leerkrachten. Die denken “ we kunnen hier doen wat we willen.’ Maar we zijn al ver gekomen. We beginnen de kinderen te kennen. We weten wie de lawaaimakers zijn. Iedere keer lukt het ons iets beter. We komen ook elke maand samen om verbetering toe te brengen aan de huiswerkbegeleiding.

Bij de tewerkstellingsgroep was ik voornamelijk gegaan om mijn CV te verbeteren. Dat is gelukt. Ik heb ook veel geleerd over mezelf. Dat ik sociaal ben en dus best een job zoek waar ik in contact kom met veel mensen, bijvoorbeeld een onthaalfunctie. Op het einde hadden we een fijn moment. We hebben elk uit onze eigen cultuur eten meegebracht en hebben er echt van genoten.”

 

 

Foto Özlem - bij interview Öznur & Lütfiye Öznur Yigit – stichter van de vrouwengroep Özlem (Heimwee): Ik richtte de vrouwengroep Özlem op in 2007 omdat ik vond dat er een nood was aan een seniorenvereniging voor de eerste generatie Turkse vrouwen die naar hier zijn gekomen. Hier in Genk bestond nog niets voor hen. Ik werkte in de tijd met allochtone verenigingen bij de Federatie Wereldvrouwen. Ik was sociaal-cultureel werk aan het studeren en ik kon Özlem oprichten en ondersteunen als deel van mijn eindwerk. Het paste zowel bij mijn werk alsook bij mijn eindwerk. Mijn beste jaren waren toen ik ook in het werkveld zat. Ik kon het goed combineren met mijn werk en mijn vrije tijd – dat vulde elkaar aan. Maar omdat ik nu iets helemaal anders doe, is alles wat ik doe vrijwilligerswerk en dat is veel te moeilijk om alleen te doen. Het is niet haalbaar. Dus was het hoogtepunt voor mij toen de werkdruk niet te zwaar op mijn schouders woog. Özlem betekenden veel voor de vrouwen. Het bijeenkomen was heel belangrijk voor hen. Toen de eerste generatie naar hier kwam, kwamen de vrouwen heel dikwijls bij elkaar. Maar dat was verwaterd naarmate de kinderen ouder werden en dan, in één keer, stonden ze er alleen voor. Er zijn veel weduwen in de groep. Vereenzaming begon ook bij hen, dus was het belangrijk dat ze elkaar terugzagen. De eerste generatie kent elkaar allemaal, waar ze ook wonen. Het was een meerwaarde dat ze de deur uitkwamen, dat ze een doel hadden. Ik ben heel fier op de ontmoetingen die er gebeurd zijn, de verhalen, de persoonlijkheid die loskomt bij de vrouwen zelf. Plus het plezier dat de vrouwen beleefden aan de activiteiten. Ik heb daar veel voldoening aan gehad. De meerwaarde om samen te werken met het LEON-project en de school, De Bladwijzer, was in de eerste plaats de locatie. Dat de school in de wijk gelegen is, dat de school ervoor open stond om aan ons de locatie toe te kennen en vooral het onthaal in de school – de medewerkers van de school, de directeur, de leerkrachten en Stebo ook. Het geheel was toch voor mij heel belangrijk om sterk in mijn schoenen te staan om toch nog een jaartje door te gaan. Een beetje ondersteuning is zeker nodig als vrijwilliger. Ik vind dat gewone burgers meer aandacht voor elkaar mogen hebben. Ik geef een voorbeeld: We zijn met negen broers en zussen. Mijn moeder woont nu alleen want we zijn allemaal het huis uit. Mijn moeder heeft een hele fijne, lieve buurvrouw hier schuin tegenover en ze let een beetje op mijn moeder. Ze kijkt of mijn moeder de rolluiken omhoog heeft getrokken, of ze haar in de tuin ziet. Ze komt regelmatig langs. Ze brengt een bordje soep waardoor mijn moeder dan iets terugbrengt. De sociale contacten zijn heel belangrijk, vooral tussen generaties. Dat mensen daar terug oog voor hebben en dat ze daaraan iets doen, want de vervreemding begint overal. Voorlopig ben ik gestopt met Özlem. Ik heb een beetje last van een burn-out gekregen, maar misschien zal ik in de toekomst terug een vereniging opstarten – maar niet meer zo intens. Ik heb geleerd dat ik mijn tijd beter moet indelen, maar ook dat ik daar plezier aan moet blijven hebben, niet dat het een last wordt. Lütfiye Özdemir – deelnemer van de vrouwengroep Özlem: Lütfiye is de moeder van Öznur, de oprichter van Özlem – een van de verengingen die meewerken aan het LEON-project. Lütfiye is een vrouw van de eerste generatie Turkse migranten die 50 jaar geleden voor het eerst in België aankwam. Ze was een lid van de vrouwengroep en vertelt hier over haar ervaringen. De groep was goed. Veel mensen kwamen samen om te praten, deden een beetje handwerk. Ik was heel tevreden. Ik ken geen andere vrouwengroepen. Dit is de eerste groep waaraan ik deelnam. Ik ben bijzonder fier over de keer toen we met vier vrouwen van de groep en drie begeleiders voor vijf dagen naar Istanbul zijn geweest. Dit was echt een super combinatie. Voor ons was het eigenlijk de eerste keer dat we met de vrouwen een city trip konden beleven in Turkije op deze manier. Ik was heel content met de samenwerking tussen onze groep, de school (De Bladwijzer in Waterschei) en Stebo. We waren tevreden, vooral omdat mijn dochter, Öznur, ondersteuning kreeg. Zo moest ze niet alles alleen dragen. Dat was voor mij belangrijk want ik maakte mij zorgen. Ik zag mijn dochter bezig. Ik begreep heel goed hoeveel werk vrijwilligerswerk eigenlijk inhield. Ik zag de ondersteuning als een last minder voor mijn dochter en dat vond ik fijn. Hiernaast heb ik ook wel van de samenwerking genoten. Vroeger kwamen we in het dienstencentrum samen, maar dat was iets te ver. Omdat de samenkomsten nu in de wijk doorgingen, konden de meeste vrouwen zelf komen, want vervoer is een groot probleem. Öznur kon moeilijk twee of drie mensen wel met haar auto vervoeren – en dan aan de anderen uitleggen waarom zij niet meekonden. Ze kon ook moeilijk tien keer met de auto heen en weer gaan. De school is een vertrouwde omgeving voor de vrouwen. Dit is ook belangrijk. Onze kinderen en kleinkinderen zijn daar allemaal op school geweest. Voor mij was de hoogtepunt van de samenwerking de busuitstap naar Gent, ook in de bus, we hebben ons echt kapot gelachen.